Het ING Cultuurcentrum en de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België organiseren in samenwerking met de Fundació Joan Miró een tentoonstelling met ongeveer 120 schilderijen, prenten, sculpturen en tekeningen die het poëtische karakter van het werk van Miró belichten. De tentoonstelling en de door het Mercatorfonds uitgegeven begeleidende catalogus vertrekken van Mirós befaamde Constellaties, die in het begin van de Tweede Wereldoorlog tot stand kwamen en belichten vervolgens het werk dat daaruit voortvloeide.

De Catalaanse schilder zou een oeuvre opbouwen dat is verankerd in de literaire verbeelding en werd gevoed door zijn ervaringen met het surrealisme. Het bestaat uit symbolische figuren en kleuren die op een poëtische manier de wereld samenvatten. Het accent ligt op de ontwikkeling van een persoonlijk repertoire dat de schilder op verschillende manieren zou uitwerken: sculpturen ontstaan uit de toevallige ontmoeting tussen objecten, landschappen die geworteld zijn in de Catalaanse identiteit, figuren die evolueren van angst naar dromerigheid& Tekst en beeld gaan samen in een schilderkunst die tegelijk abstract en figuratief, gestueel en sober, woekerend en leeg is.

Als introductie worden enkele werken uit de jaren 1920 getoond die laten zien hoe de schilder almaar meer de referentie aan de realiteit loslaat. Werken als Spaanse danseres van 1924 uit de verzameling van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België en Circuspaard van 1927 uit de verzameling van het Museum van Elsene, laten zien hij figuren overgaan in suggesties van emoties en gevoelens.

In 1939, op het moment dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, verbleef Miró in Varengeville-sur-Mer, waar hij begon te schilderen aan de reeks Constellaties die enkele jaren later werden gereproduceerd in een kunstenaarsboek met begeleidende teksten van André Breton. Deze reeks die werd geïnspireerd door zijn ervaringen met muziek en door contemplatie van de natuur, getuigt van een streven naar de weergave van de externe realiteit door middel van een mythologische vertelling en tegelijk van een zoektocht naar een innerlijke rust, een soort mystiek van het oneindige. Deze eindeloze ruimten met krioelende, steeds weerkerende vormen die echte symbolen zijn geworden (schroeflijnen, sterren, zonnen, ogen, ladders, spinnen&) geven blijk van een diep verlangen om de reële wereld te ontvluchten.

Deze thematische cyclus getuigt tevens van Mirós passie voor de zuiverheid en de magische expressie van primitieve holenkunst en ook voor de essentiële chromatische en symbolische kracht van de Catalaanse romaanse schilderkunst.

Miró had ook een bijzondere affiniteit met poëzie, en deze bracht hem tot samenwerking met meerdere dichters. In de bibliofiele uitgaven Parler seul van Tristan Tzara en Á toute épreuve van Paul Eluard blijkt hoezeer de bijdrage van de kunstenaar persoonlijk en aanvullend is. Miró speelt in op het ritme, de toon en het karakter van de poëzie, zodat zijn werk veeleer begeleidend dan illustratief is. De kleur speelt hierin een primordiale rol. Naast deze dichtbundels wordt een reeks kleine, kleurrijke werken uit de jaren 1970 getoond. Ze illustreren hoe Miró poëzie door de kleur tot stand brengt, een van de aspecten van zijn werk dat hier bijzondere aandacht krijgt.

Zijn kernachtige, tot de essentie beperkte illustraties van haikus met eenvoudige kleuren die hun kracht putten uit de suggestie van de natuur en de seizoenen, focussen samen met andere werken uit de jaren 1960-1970 op het aspect poëzie door de lijn.

Begeleidende publicatie bij de gelijknamige tentoonstelling in het ING Cultuurcentrum in Brussel van 24 maart 2011 tot 19 juni 2011

In samenwerking met het ING Cultuurcentrum en de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België.