Lange tijd heeft men in het Westen smalend neergekeken op het sovjetrealisme. Men vond het naturalisme en de propagandistische inslag van die kunst nogal ouderwets en wat naïef. Toch had dit realisme met zijn idealen van industrialisering en emancipatie resoluut voor het modernisme gekozen. Dat modernisme nam in de periode na 1917 de vorm aan van een kritiek op het kapitalisme, zijn instellingen, zijn esthetiek en zijn bourgeois publiek. Voortaan was de kunst er voor de massa. Dat wil niet zeggen dat het sovjetrealisme platweg het leven van alledag in beeld brengt, integendeel: het straalt een heroïsche en geïdealiseerde kijk op de werkelijkheid uit.

Tijdens het sovjetbewind werden kunstwerken niet vermarkt: ze waren niet te koop, maar boden zelf een en ander te koop aan. Het regime zorgde ervoor dat reproducties van kunstwerken verspreid werden. Kunst was een middel tot het maken van politieke publiciteit en tot het propageren van abstracte ideeën. In de sovjetkunst werden heel dikwijls boeken of kranten afgebeeld, schrijvende en lezende mensen of mensen die hun ideeën uiteenzetten. In die zin is de sovjetkunst conceptuele kunst.

Film was volgens Lenin de belangrijkste van alle kunsten’ een uitspraak die de sovjetkunst merkwaardig genoeg dicht bij het surrealistische gedachtegoed bracht.