Verschijningsdatum: 18 februari 2011

Met bijdragen van Nienke Bakker, Isabel Cendoya en Peter Read
Onder redactie van Michael Raeburn

In 1900, rond zijn negentiende verjaardag, trok Pablo Picasso naar Parijs om er de Wereldtentoonstelling te bezoeken en kennis te maken met deze artistieke hoofdstad van Europa. Picasso had een provinciale Spaanse kunstopleiding genoten maar bij terugkeer in Parijs in het daaropvolgende jaar mocht hij exposeren in de prestigieuze Galerie Vollard. Hij vestigde zich in Montmartre en dompelde zich vol verve onder in het bruisende leven van deze bohemienwijk. Binnen enkele jaren zou hij met Matisse wedijveren om de leiderspositie van de Franse avant-garde, daarbij een revolutionaire koers kiezend die hem tot een wereldberoemd schilder zou maken.

Dit boek schetst Picassos ontdekking van het artistieke leven en de kunst in de Franse hoofdstad en onderzoekt de manier waarop hij een intensieve dialoog aanging met het werk van kunstenaars als Van Gogh, Toulouse-Lautrec, Steinlen, Puvis de Chavannes, Rodin en Cézanne. Hij ontwikkelde in deze vroege Parijse jaren een uiterst persoonlijke stijl die zijn kracht ontleende aan het schilderproces zelf, waarbij de traditionele verschillen tussen imitatie en realiteit vervaagden. Het bracht Georges Braque in 1907, tijdens een bezoek aan Picassos atelier om zijn nieuwste werk te zien, tot de uitroep dat het leek of Picasso iedereen dwong om kerosine te drinken en daarbij zelf als een vuurspuwer te werk ging.

Begeleidt de gelijknamige tentoonstellingen in het Van Gogh Museum, Amsterdam (18 februari 201113 mei 2011) en in het Museu Picasso de Barcelone (30 juni 201115 oktober 2011).