Vincent van Gogh (1853-1890) wordt vaak beschouwd als een genie in een klasse apart, een uitzonderlijke autodidact die nauwelijks oog had voor de hem omringende kunstwereld. In werkelijkheid leerde Van Gogh volop van anderen, wisselde hij ideeën uit met zijn tijdgenoten en paste hij vaak de bestaande methoden en technieken toe om zijn vaardigheden aan te scherpen.
In deze uitzonderlijke uitgave peilen de diverse essays naar de manier waarop hij zijn vaardigheden ontwikkelde en zich uiteenlopende schets- en schildertechnieken eigen maakte, informatie over materialen verzamelde, zich vertrouwd maakte met de fysieke kenmerken van doek, verf, papier, krijt en andere materialen, en het werken op papier en doek benaderde. Naast een onderzoek van Van Goghs werkwijzen, bespreken de auteurs ook het werk en het onderzoek van moderne conservators. Ze besteden onder meer aandacht aan de veranderingen die de schilderijen in de tijd hebben ondergaan, zoals de verkleuring van verf en inkt, en ze onderstrepen het belang van het onderhoud en de restauratie van kunstwerken.

Marije Vellekoop is hoofd Kunst in het Van Gogh Museum, Amsterdam.